Leidraad bij de Standaard

Standaardtekening OHM

Inleiding

Deze leidraad is geschreven naar aanleiding van het ontstaan van de nieuwe rasstandaard in 2013. De rasstandaard is bestemd voor keurmeesters en bevat, naar de mening van het bestuur van de Oud-Hollandse Meeuw Club, te weinig informatie voor nieuwe en ervaren fokkers van de Oud-Hollandse Meeuw om een goede indruk te krijgen van het uiterlijk en de raskenmerken.

In deze leidraad vindt u teksten van de standaard terug, waar nodig aangevuld met verdere uitleg en illustraties. Het is de bedoeling dat deze tekst steeds actueel wordt gehouden en regelmatig wordt aangevuld op basis van opmerkingen van lezers ter verbetering. Mocht u suggesties hebben ter verbetering van deze leidraad, dan vernemen wij die graag van u. U kunt wenden tot de secretaris van de Oud-Hollandse Meeuw Club.

 

Algemene rasbeschrijving: De Oud-Hollandse Meeuw behoort tot de groep Meeuwduiven. Binnen deze groep heeft een aantal rassen een wit lichaam met een gekleurd schild als kenmerk. Dit is een verschijning die bij veel liefhebbers tot de verbeelding spreekt. Tot deze rassen behoort ook de Oud-Hollandse Meeuw.

Uiterlijke Kenmerken De Oud-Hollandse Meeuw is een middelgrote duif waarvan, met uitzondering van de witten, alleen het schild is gekleurd. De stand is middelhoog, wat betekent dat de benen niet extreem lang of kort zijn.

De houding is horizontaal. Als leidraad kan men de dracht van de staart aanhouden: is deze horizontaal, of wijst deze iets naar boven, dan is de houding goed. Wijst de staart naar beneden, dan is de lichaamshouding vergelijkbaar met die van veldduiven, wat niet goed is. De houding moet tevens vast zijn, ofwel steeds hetzelfde. Is dat niet het geval, dan wordt gesproken van een niet vaste houding.

Stand

Houding moet horizontaal zijn: Links goede houding, midden houding te opgericht en rechts afhellende houding

Een sterk bepalend onderdeel van de verschijning van de Oud-Hollandse Meeuw is de hals, welke opgericht ofwel gestrekt dient te zijn. Een dier dat zijn nek intrekt en in het ergste geval de kop tussen de schouders trekt, vertoont niet de gewenste halsdracht.

Het type is kort en gedrongen. Wanneer men een Oud-Hollandse Meeuw van de bovenkant bekijkt moet er sprake zijn van een wigvorm: Breed van voren en smaller wordend richting de staart. Bij voorkeur steekt de staart slechts 1-2 centimeter onder de vleugelpunten vandaan. Is die afstand (veel) langer, dan wordt gesproken over teveel lengte in de achterpartij en is het type dus te lang.

De jabot is een belangrijk kenmerk van de Oud-Hollandse Meeuw. Een jabot bestaat uit een verticale rij gekrulde veertjes, vanaf de borst tot net onder de keel, die naar weerszijden zijn gebogen. Is de jabot goed ontwikkeld, dan wordt gesproken over een goed gevulde of rijke jabot. Zo niet, dan kan de jabot rijker of gevulder. Een euvel dat soms voorkomt is een open jabot. Hierbij heeft de jabot een open veerstructuur waardoor de huid duidelijk zichtbaar is.

Een ander opvallend kenmerk is de puntkap. Deze moet, wanneer de schedel horizontaal wordt gehouden, een paar millimeter boven de schedel uitsteken en op het eind een echte punt vormen. Veelvoorkomende fouten zijn te lage of afhangende kappen, te brede kappen en zelfs schelpkappen.

 

Raskenmerken

Kop: De kopvorm is bij de Oud-Hollandse Meeuw een heel belangrijk onderdeel, welke vanuit twee gezichtspunten wordt beoordeeld: van bovenaf en van opzij. Van bovenaf gezien vertoont de kopvorm een globale overeenkomst met een ruit en een ovaal, waarbij de punten van de snavel en de kap de scherpe punten van de ruit vormen. De ovale vorm moet langwerpig zijn en zeker niet te smal, met de grootste breedte tussen de ogen.

kopstudie

Mooi donker oog, smalle en lichte oogranden, goed aangesloten manen, fraaie keeluitsnijding

Bij de beoordeling van opzij wordt de schedellijn horizontaal gehouden. Twee lijnen zijn dan belangrijk: de voorhoofdslijn en de schedellijn. Het voorhoofd moet licht gewelfd ofwel gerond zijn. De voorhoofdslijn mag dus geen vlakke lijn zijn richting de schedel; er moet iets vulling zichtbaar zijn. Het punt waar de voorhoofdslijn overgaat in de vlakke schedellijn moet duidelijk aanwijsbaar zijn. Dit punt, de “stop” genoemd, is geen echte hoek maar mag ook niet te rond zijn. De schedellijn is grotendeels recht en eindigt in een opwaartse lijn in de puntkap. De puntkap wordt ondersteund door een rij veren in de nek, welke de manen worden genoemd. Deze moeten een ononderbroken kam vormen. Een veelvoorkomend euvel in de manen is een inkeping. Het bovenste deel van de veren in de manen wijst dan naar boven en het onderste deel naar beneden, waardoor een onderbreking in de manen ontstaat.

Ogen: moeten groot en donker zijn; bij voorkeur zo donker dat het onderscheid tussen de iris en de pupil nauwelijks te zien is. De oogranden zijn bleek en smal. Het mooist is het wanneer de ogen goed omsloten zijn door kleine veertjes, zodat slechts een smalle oogrand te zien is. Voor de oogranden geldt dus: hoe smaller, hoe beter. Doordat de oogranden wit zijn, vallen ze niet op. Een gelige of zelfs rode kleur in de oogranden komt regelmatig voor. Dit ontsiert het uiterlijk en is ook nog eens zeer erfelijk. Daarnaast komen grove oogranden regelmatig voor.

Snavel: moet middellang zijn. Bij een te kleine of te brede snavel kunnen problemen ontstaan met het voeren van de jongen. De snavel moet echter wel krachtig zijn, dus niet te smal of te spits. Daarnaast moet de snavel goed gesloten zijn. Bij een goed gesloten snavel kun je niet tussen de boven- en ondersnavel door kijken. Vanaf de zijkant gezien moet de denkbeeldig doorgetrokken snavellijn, de lijn tussen de boven- en ondersnavel, door het oog lopen.

Borst: moet breed zijn en goed gerond. De borst steekt iets naar voren uit, waardoor de vleugels goed worden omsloten en als het ware in de borst vallen. Dat wordt borstdiepte genoemd.

Rug: moet breed en kort zijn, iets hol tussen de schouders. Vanaf de schouders richting de staart iets afhellend.

Vleugels: rugafdekking genoemd. Wanneer de vleugels enigszins afhangen, laat de rugafdekking vaak te wensen over. De vleugelpunten moeten rusten op de staart en het eind van de staart zo dicht mogelijk naderen.

Spleetstaart (2)

Spleetstaart

Staart: Deze moet kort en smal zijn, goed gesloten en horizontaal gedragen. Bij een mooie staart liggen alle staartpennen goed gesloten over elkaar heen, waardoor het lijkt alsof er maar één dikke staartveer is. Regelmatig zien we dieren met een open staartdracht, waardoor tussen de veren door gekeken kan worden. Ook (neiging tot) spleetstaart, waarbij het linker- en rechterdeel van de staart duidelijk te onderscheiden zijn, komt vaak voor.

Benen: moeten middellang zijn en niet te dicht bij elkaar geplaatst. In de hielgewrichten licht naar achteren doorgeknikt. De kleur van de benen is rood en die van de nagels vleeskleurig.

Bevedering: Overvloedig, zacht, goed aanliggend  (geen losse bevedering) en glanzend

 

Kleurslagen:
Wit, Zwartschild, Roodschild, Geelschild, Dunschild, Blauwschild zwartgeband, Blauwzilverschild donkergeband, Roodzilverschild geband, Geelzilverschild geband. Blauwschild gekrast, Blauwzilverschild gekrast, Roodzilverschild gekrast, Geelzilverschild gekrast.

 

Kleur en tekening:
De eenkleurigen (roeken) zijn helemaal wit. De schildkleurigen zijn wit behalve het schild. Aan iedere vleugel zijn de buitenste pennen wit. Minimaal 7 en maximaal 12. Aaneengesloten dus zonder onderbrekingen. Een gekleurde pen tussen de witte pennen, of een witte pen tussen de gekleurde pennen wordt een schakelpen genoemd, wat niet wenselijk is. Als de schakelpen in de kooi zichtbaar is, is dit een zware fout. Is de schakelpen alleen in de hand bij gespreide vleugel waarneembaar, dan krijgt men in ieder geval puntenaftrek.

4 gekleurde duimveren, 9 buitenste witte pennen

4 gekleurde duimveren, 9 buitenste witte pennen

DSC_0482 - kopie - kopie

Kleur achter de benen is toegestaan

Duimveren zijn de vier puntige kleine veertjes aan de vleugelboog. Het streven is om alle duimveren gekleurd te hebben. Daardoor is de kans het grootst dat het schild mooi getekend is, zonder witte vleugelboog. Aan iedere vleugel is minstens één gekleurde duimveer verplicht, uitgezonderd de witte kleurslag welke logischerwijze alle veren wit heeft. Bij de schildkleurigen is enige kleur achter de benen toegestaan. Dit noemt men de “broek”. Kleur in de dijen is niet toegestaan.

 

Specifieke kleurkenmerken

3e band

Aanleg tot derde vleugelband

  • Bij zwart-, rood- en geelschild moet de kleur op het schild zo diep mogelijk zijn en enige paars-groene glans zichtbaar zijn. Een vale of lichte kleur komt regelmatig voor.
  • Voor de gebande kleurslagen geldt dat de schildkleur zo licht en egaal mogelijk moet zijn. De twee banden moeten zo smal en strak mogelijk zijn, goed doorlopen en een zo intensief mogelijke kleur hebben. Bij de gebande kleurslagen treedt af en toe een gewolkt schild op. De kleur van de banden komt dan in meer of mindere mate terug in het lichte deel van de vleugel. Aanleg tot derde vleugelband komt ook vaak voor.
  • Bij de gekraste kleurslagen wordt een zo scherp mogelijke krastekening gewenst, welke ontstaat door een zo licht mogelijke schildkleur en een zo donker mogelijk kraspatroon. De banden moeten goed zichtbaar zijn. Een dichtgelopen krastekening, waarbij slechts enkele lichte vlekjes waarneembaar zijn, is een bekend euvel bij de krasschilden.

 

Ernstige fouten:
Onderstaande een lijst met ernstige fouten die we bij de Oud-Hollandse meeuw kunnen tegenkomen:

Inkeping manen - kopie

Inkeping in de manen, oogranden te grof en gekleurd, kop wat rond, keeluitsnijding kan beter.

  • Te lang type, te smal type. Bij te smal type ontbreekt de borstbreedte.
  • Afhellende houding
  • Te spitse, te vlakke,  te ronde, gedeukte of geknepen voorkop. (Zie tekeningen)
  • Springsnavel (De bovensnavel springt uit de voorhoofdsbelijning) of snaveldruk
  • Afwijkende oogkleur
  • Gekleurde of grove oogranden
  • Afwijkende kap ( bijv. een te brede (schelpkap) of een te lage kap
  • Keelwam. De keel is niet mooi uitgesneden.
  • Aan elke vleugel minder dan 7 of meer dan 12 buitenste aaneengesloten witte pennen, behalve bij de witte kleurslag
  • Ontbrekende duimveren. Aan één of beide vleugels 4 witte duimveren, behalve bij de witte kleurslag.
  • Afwijkende beenkleur. (Zwarte benen komen soms voor)
  • Kleur op andere plaatsen dan waar toegestaan (Bont)
Bonte buik (2)

Bonte buik

  • Ontbrekende of beperkt aanwezige rasonderdelen, zoals jabot, puntkap en stop
  • Sterke inkeping in de manen
  • Spleetstaart
  • Hangende, niet aangesloten, staartpennen
  • Skeletfouten: Skeletfouten gelden in Nederland in principe als uitsluitingsfout. Lichte skeletfouten worden echter wel eens door de vingers gezien. Een krom borstbeen is de meest voorkomende en bekende skeletfout die nogal eens voorkomt bij de Oud-Hollandse Meeuw. Over het ontstaan van krom borstbeen lopen de meningen uiteen. Duidelijk is wel dat bepaalde stammen er vaker last van hebben dan anderen. Mogelijke oorzaken zijn onvoldoende calcium en onvoldoende zonlicht waardoor onvoldoende vitamine D wordt aangemaakt. Een genetische aanleg voor de gevoeligheid voor krom borstbeen lijkt ook een belangrijke rol te spelen.

 

Beoordeling:

De volgorde van beoordeling naar belangrijkheid:

  • Type en stand
  • Kop
  • Jabot
  • Kleur en tekening
  • Ontbrekende raskenmerken gelden altijd als uitsluitingsfout, wat wil zeggen dat de duif niet meer voor een voldoende beoordeling in aanmerking kan komen.

Ringmaat:

Geadviseerd: 8 mm. Andere ringmaten zijn toegestaan, indien aan de eis wordt voldaan dat de ring niet knelt en niet van de poot kan worden afgeschoven.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.